![[ NKBV Reisprogramma ]](http://www.nkbv.nl/bannerclimbing/bannerclimbing.gif)
Basis Klimtechniek
door: Jos Leenen, jos@climbing.nl
Deel 1
Hoe zet je je schoenen op treden?
Hoe pak je de grepen vast?
Lichaamszwaartepunt en evenwicht
Diagonaalregel
Achterkruisen
Voorlangskruisen
Trekken aan treetjes
Pied-à-main
Voor grepen en treden geldt dat je je moet aanwennen om,
vóórdat je ze aanraakt, ze al hebt afgetast met je ogen. In het
algemeen kun je het beste met je voetpunten klimmen; dan is het zwaartepunt
boven je voeten. Als je zo staat, laat je je hakken laag (voorste deel
voetzool bijna loodrecht op de wand). Je komt zo minder aan je armen te
hangen. Je armen laten het namelijk meestal het eerste afweten. Bijkomend
voordeel is dat je ook iets verder van de wand komt te staan waardoor je meer
overzicht hebt over de grepen en treden. Of je op een trede blijft staan is
vooral afhankelijk van de wrijving die je kan oproepen tussen de zool van je
schoen en de trede. Hoe groter de druk die je uitoefent op een trede en hoe
groter het contactoppervlak van je schoen met de trede; des te groter is de
wrijving èn de kans dat je blijft staan. Soms kan het handig zijn in de
trede te gaan staan in plaats van er bovenop. Dit doe je in het geval, dat je
zwaartepunt niet boven die ene trede is en de trede bovenop schuin
afloopt.
Bij grepen zoeken we altijd de beste kant van een
greep. Deze zit zeker niet altijd aan de bovenkant. Vaak moet je de greep even
aftasten. In het algemeen geldt dat je gaten, platte grepen en bollen
zó pakt dat je vingers afhangen (tendu). Kleine randjes pak je met
opstaande vingers; Je duim dien je dan bovenop je wijsvinger te leggen voor
extra steun (arqué). Als je niet met je duim ondersteunt overstrek je
al heel snel te veel je vingers. Dit is een heel blessuregevoelige belasting
en dient dus zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Oefening: netjes klimmen. We klimmen een aantal routes
waarbij het met de ogen aftasten voorafgaat aan het pakken en er op gaan
staan. Als je ze daadwerkelijk daarna vastpakt of er op gaat staan, mogen
handen en voeten niet meer verschoven worden.
Monodoigts (eenvingergaten) pak je met je
middelvinger. Bidoigts (tweevingergaten) pak je met je middel- en
ringvinger. Reden hiervoor is dat deze vingers sterker zijn (of uiteindelijk
kunnen worden) dan je wijsvinger, vanwege de "knik" in de pees van
je wijsvinger. Als gaten open zijn aan de bovenkant, kun je je vingers
stapelen; d.w.z. een vinger op de andere leggen. Je zult merken dat dit
makkelijker is. In de regel is het zo: Hoe meer vingers, des te makkelijker
hou je de greep vast.
Om niet te vallen moet je in evenwicht zijn. Dit klopt niet
alleen als je op de grond staat, maar ook als je aan het klimmen bent. De
zwaartepunt- en evenwichtmethode is de basis van alle klimtechnieken. Het
zwaartepunt van je lichaam (LZP) is het punt in je lichaam waarin alle
krachten samengrijpen (zwaartekracht). Als dit punt wordt ondersteund, ben je
in evenwicht en zal je niet vallen. Het LZP bevindt zich niet op een vast punt
in je lichaam. Afhankelijk van lichaamshouding, lichaamsbouw en klimuitrusting
verschuift het telkens. Voorlopig is het echter handig om ervan uit te gaan
dat het zich in je buik bevindt rond navelhoogte. Als we op de grond staan
maken je voeten een bepaald contactvlak met de vloer; het draagvlak. Als je
LZP zich loodrecht boven dit draagvlak bevindt sta je in balans. Als je voeten
dicht bij elkaar staan heb je een smal draagvlak, en sta je wankel. Staan ze
verder uit elkaar dan heb je een breder draagvlak en sta je dus
steviger. Staan ze echter te ver uit elkaar dan kun je nauwelijks nog
bewegen. Je moet telkens naar een compromis zoeken. Schouderbreedte is vaak
het meest gunstig.
Wat nu als je één been op wilt tillen om het
hoger ergens neer te zetten? Je LZP valt nu, als je niets doet, naast je
draagvlak. Je moet dus voordat je je voet optilt je gewicht (LZP) boven je
andere voet brengen. Daarna kan je je voet, waar dan geen gewicht meer op
rust, gemakkelijk optillen en ergens anders neer zetten.
Soms heb je echter de treetjes niet voor het uitzoeken en
is het erg moeilijk om je LZP boven je andere voet te krijgen. Een handige
vuistregel is de DIAGONAAL; als je je linkerhand vast hebt en je wilt met je
rechterhand doorgrijpen, dan moet je het rechterbeen uitduwen c.q. het zwaarst
belasten. Dit kan het best als het rechterbeen in een verticale lijn onder de
linkerhand staat. Links-links betekent wegdraaien. Om dit goed te leren moet
je maar eens een route klimmen, waarbij je telkens als je de volgende greep
wilt vastpakken, op één been uitdrukt. Het liefst in een route
die niet te moeilijk voor je is en op een strakke wand, zonder dak of
zijkant.
Sta je toch links-links, dan kun je je balans terugkrijgen
door je rechterbeen achter je linker langs te steken. Op die manier breng je
dan je zwaartepunt toch onder je linkerhand. Andersom geldt dit natuurlijk
ook.
Een andere oplossing om wegdraaien te voorkomen is
voorlangskruisen. Terwijl je beide grepen nog vast hebt, steek je het ene been
voor het andere langs en duwt je wreef met een gestrekt been tegen de wand. Je
heup is (automatisch) naar de wand gedraaid. Als het goed is, kun je dan een
hand loslaten en houdt het gestrekte been het wegdraaien tegen.
Een derde oplossing vinden we als er aan de buitenkant hoog
nog een treetje zit. We kunnen dan met de binnenkant van onze voet op dat
treetje ons naar de wand trekken. Deze techniek is handig, wanneer je met je
handen dan de volgende greep kunt pakken zonder dat je die voet moet
uitduwen. Zet je je voet op een trede, die je tegelijkertijd reeds als greep
vast hebt, dan noemen we dat een pied-à-main.
Deel 2
Spreiden in hoeken
Rustpunten
Klimtactiek verbeteren
Routeverloop inschatten, greepvolgorde
Als de route door een hoek loopt, moet je zoveel mogelijk
spreiden: benen zover mogelijk uit de hoek, dan je kun je gemakkelijk je
zwaartepunt boven je voeten houden. De voortbeweging gaat vaak d.m.v. afduwen;
je duwt met dezelfde hand af als de voet die je hoger wil zetten. Doordat er
dan een redelijk grote kracht op de andere hand komt, moet die een goede greep
vast hebben. Overigens kun je ook op andere wanddelen deze techniek toepassen,
met name als de staande voet ver naar buiten staat.
Rustpunten zijn plekken waar je de kans hebt om je handen
wat uit te schudden. Een grote greep, of twee grote grepen bieden vaak deze
mogelijkheid. Ook op plaatsen waar de wand van overhangend naar vertikaal
verloopt of van vertikaal naar neigend.
Rustpunten zijn van belang voor:
- herstel van doorbloeding in je onderarmen, afname verzuring
- psychologisch herstel van stress, ontstaan door een moeilijke
passage: tot rust komen om je beter te kunnen concentreren en op je
techniek te letten
- de greepvolgorde van het komende stuk te kunnen bekijken
- het aanvullen van de magnesiumlaag op je vingers
Als je kunt spreiden in een hoek heb je een rustpositie,
waarbij je je handen beide tegelijkertijd los kan laten. Dit noemen we een
no-hands-rest. Ook op neigend terrein kun je meestal diverse
no-hands-rests vinden.
Een oefening; klim een route in een hoek waarbij je alle
kleuren door elkaar gebruikt en zo vaak je kan beide handen even loslaat.
Voordat je gaat klimmen bekijk je hoe de route
verloopt. Waar zitten er bochten, zitten er grepen om een hoek? Veel
informatie over de route kun je van beneden af al zien, waardoor je onderweg
niet voor verrassingen komt te staan. Wat ook handig is, is als je van tevoren
al rustpunten kan ontdekken.
Deel 3
Indraaien
Overhangen
Lichaamsspanning
Indraaien, op de buitenkant van je voeten staan, kan erg
handig zijn als je erg ver moet doorpakken. Heb je een zijgreep vast moet je
altijd de tegenovergestelde voet indraaien, of je nu op een voet of op twee
staat. Sta je op beide voeten en draai je een knie naar binnen, dan noemen we
dat een egyptian. Dit is veel minder zwaar, dan frontaal blijven
staan. Als je in overhangen klimt, kun je door in te draaien je armen vaak
gestrekt houden. Je hebt dan minder bovenarmkracht nodig. Ook kun je, als je
op twee voeten staat, je zwaartepunt horizontaal verplaatsen door
één van beide voeten in te draaien. Dit is handig voor het
behouden van je evenwicht (je zwaartepunt komt dan recht onder de gefixeerde
greep). Wil je met je hand over de andere heen kruisen, dan draai je eveneens
de voet in, die aan de tegenovergestelde kant van de fixerende hand zit
(egyptian dus).
We klimmen overhangen anders dan we loodrechte wanden
klimmen. De basisregels blijven echter hetzelfde. Het zoeken naar balans, de
diagonaalregel en zoveel mogelijk je voeten het werk laten doen ontlasten je
armspieren. Bij overhangen is het aanspannen van je buik- en rugspieren
(lichaamsspanning) erg belangrijk. Zodoende kun je meer je LZP boven je voeten
brengen. Gestrekte armen zorgen ervoor dat je bovenarmspieren rust krijgen en
de bloedtoevoer (en afvoer) in je armen zodoende nog zoveel mogelijk op gang
blijft.
Deel 4
Valtraining
Energiesystemen: aeroob en anaeroob (duurkracht)
Wil je leren klimmen dan moet je eerst leren vallen. Dat is
een uitspraak van (wijlen) goeroe Wolfgang Güllich. Wat hij bedoelt is,
dat je een val in het touw niet meer als "eng" mag ervaren. Op dat moment pas
kan je concentratie 100% op het klimmen gericht zijn en durf je ook tot het
uiterste te vechten. We oefenen dit vallen een aantal keer en variëren
daarbij de valhoogte naar gelang je eigen durf. Dit zodat je weet, en vooral
ervaart, dat de vallen die bij het naklimmen optreden helemaal niet iets zijn
om je tijdens het klimmen zorgen over te maken.
Een aerobe inspanning wil zeggen dat je bloed alle
benodigde energie en zuurstof kan aanvoeren, en alle geproduceerde
afvalstoffen kan afvoeren. In de klimhal krijg je het meest te maken met
duurkracht, of een gebrek eraan. Je spieren krijgen het continu zó
zwaar te verduren dat lang niet alle afvalstoffen meer verwijderd kunnen
worden. Je voelt het melkzuur zich ophopen in je onderarmen en de kracht
wegvloeien. Je maakt nu gebruik van een anaeroob energiesysteem met een
onvolledige verbranding. Wil je dit tegengaan dan moet je hier, nèt als
met maximaalkracht en uithoudingsvermogen, specifiek op trainen. Dit doe je
door continue (licht overhangend, zonder rustpunt) routes te klimmen. Je kiest
routes die vrij dicht tegen je top aanzitten.
Versie 3, september '97