[ www.climbing.nl ]  [ Home ]
 [ Prikbord ]
 [ Klimgids ]
 [ Competitie ]
 [ Internationaal ]
 [ Alpine ]
 [ Bleau ]
 [ Clubs en X-tra ]
 [ Site info ]
DCH > Klimgids NL > Basistechniek  
 [ Klimgids NL ]


 Regios:
kaart
lijst
 Hallen:
kaart
lijst
 Overige muren:
binnen
buiten
 Clubs:
kaart
lijst
 Overige info:
veilig sportklimmen
basis klimtechniek
no hands rests
klim(hal) training 
blessures 
 

Enquête:
Wie wint het NK Boulderen

Casper

Fredje

Michiel

Nicky

Timo

Wouter

 


 [ NKBV Reisprogramma ]


Basis Klimtechniek

door: Jos Leenen, jos@climbing.nl



Deel 1

Hoe zet je je schoenen op treden?
Hoe pak je de grepen vast?
Lichaamszwaartepunt en evenwicht
Diagonaalregel
Achterkruisen
Voorlangskruisen
Trekken aan treetjes
Pied-à-main

Voor grepen en treden geldt dat je je moet aanwennen om, vóórdat je ze aanraakt, ze al hebt afgetast met je ogen. In het algemeen kun je het beste met je voetpunten klimmen; dan is het zwaartepunt boven je voeten. Als je zo staat, laat je je hakken laag (voorste deel voetzool bijna loodrecht op de wand). Je komt zo minder aan je armen te hangen. Je armen laten het namelijk meestal het eerste afweten. Bijkomend voordeel is dat je ook iets verder van de wand komt te staan waardoor je meer overzicht hebt over de grepen en treden. Of je op een trede blijft staan is vooral afhankelijk van de wrijving die je kan oproepen tussen de zool van je schoen en de trede. Hoe groter de druk die je uitoefent op een trede en hoe groter het contactoppervlak van je schoen met de trede; des te groter is de wrijving èn de kans dat je blijft staan. Soms kan het handig zijn in de trede te gaan staan in plaats van er bovenop. Dit doe je in het geval, dat je zwaartepunt niet boven die ene trede is en de trede bovenop schuin afloopt.

Bij grepen zoeken we altijd de beste kant van een greep. Deze zit zeker niet altijd aan de bovenkant. Vaak moet je de greep even aftasten. In het algemeen geldt dat je gaten, platte grepen en bollen zó pakt dat je vingers afhangen (tendu). Kleine randjes pak je met opstaande vingers; Je duim dien je dan bovenop je wijsvinger te leggen voor extra steun (arqué). Als je niet met je duim ondersteunt overstrek je al heel snel te veel je vingers. Dit is een heel blessuregevoelige belasting en dient dus zo veel mogelijk voorkomen te worden.

Oefening: netjes klimmen. We klimmen een aantal routes waarbij het met de ogen aftasten voorafgaat aan het pakken en er op gaan staan. Als je ze daadwerkelijk daarna vastpakt of er op gaat staan, mogen handen en voeten niet meer verschoven worden.

Monodoigts (eenvingergaten) pak je met je middelvinger. Bidoigts (tweevingergaten) pak je met je middel- en ringvinger. Reden hiervoor is dat deze vingers sterker zijn (of uiteindelijk kunnen worden) dan je wijsvinger, vanwege de "knik" in de pees van je wijsvinger. Als gaten open zijn aan de bovenkant, kun je je vingers stapelen; d.w.z. een vinger op de andere leggen. Je zult merken dat dit makkelijker is. In de regel is het zo: Hoe meer vingers, des te makkelijker hou je de greep vast.

Om niet te vallen moet je in evenwicht zijn. Dit klopt niet alleen als je op de grond staat, maar ook als je aan het klimmen bent. De zwaartepunt- en evenwichtmethode is de basis van alle klimtechnieken. Het zwaartepunt van je lichaam (LZP) is het punt in je lichaam waarin alle krachten samengrijpen (zwaartekracht). Als dit punt wordt ondersteund, ben je in evenwicht en zal je niet vallen. Het LZP bevindt zich niet op een vast punt in je lichaam. Afhankelijk van lichaamshouding, lichaamsbouw en klimuitrusting verschuift het telkens. Voorlopig is het echter handig om ervan uit te gaan dat het zich in je buik bevindt rond navelhoogte. Als we op de grond staan maken je voeten een bepaald contactvlak met de vloer; het draagvlak. Als je LZP zich loodrecht boven dit draagvlak bevindt sta je in balans. Als je voeten dicht bij elkaar staan heb je een smal draagvlak, en sta je wankel. Staan ze verder uit elkaar dan heb je een breder draagvlak en sta je dus steviger. Staan ze echter te ver uit elkaar dan kun je nauwelijks nog bewegen. Je moet telkens naar een compromis zoeken. Schouderbreedte is vaak het meest gunstig.

Wat nu als je één been op wilt tillen om het hoger ergens neer te zetten? Je LZP valt nu, als je niets doet, naast je draagvlak. Je moet dus voordat je je voet optilt je gewicht (LZP) boven je andere voet brengen. Daarna kan je je voet, waar dan geen gewicht meer op rust, gemakkelijk optillen en ergens anders neer zetten.

Soms heb je echter de treetjes niet voor het uitzoeken en is het erg moeilijk om je LZP boven je andere voet te krijgen. Een handige vuistregel is de DIAGONAAL; als je je linkerhand vast hebt en je wilt met je rechterhand doorgrijpen, dan moet je het rechterbeen uitduwen c.q. het zwaarst belasten. Dit kan het best als het rechterbeen in een verticale lijn onder de linkerhand staat. Links-links betekent wegdraaien. Om dit goed te leren moet je maar eens een route klimmen, waarbij je telkens als je de volgende greep wilt vastpakken, op één been uitdrukt. Het liefst in een route die niet te moeilijk voor je is en op een strakke wand, zonder dak of zijkant.

Sta je toch links-links, dan kun je je balans terugkrijgen door je rechterbeen achter je linker langs te steken. Op die manier breng je dan je zwaartepunt toch onder je linkerhand. Andersom geldt dit natuurlijk ook.

Een andere oplossing om wegdraaien te voorkomen is voorlangskruisen. Terwijl je beide grepen nog vast hebt, steek je het ene been voor het andere langs en duwt je wreef met een gestrekt been tegen de wand. Je heup is (automatisch) naar de wand gedraaid. Als het goed is, kun je dan een hand loslaten en houdt het gestrekte been het wegdraaien tegen.

Een derde oplossing vinden we als er aan de buitenkant hoog nog een treetje zit. We kunnen dan met de binnenkant van onze voet op dat treetje ons naar de wand trekken. Deze techniek is handig, wanneer je met je handen dan de volgende greep kunt pakken zonder dat je die voet moet uitduwen. Zet je je voet op een trede, die je tegelijkertijd reeds als greep vast hebt, dan noemen we dat een pied-à-main.


Deel 2

Spreiden in hoeken
Rustpunten
Klimtactiek verbeteren
Routeverloop inschatten, greepvolgorde

Als de route door een hoek loopt, moet je zoveel mogelijk spreiden: benen zover mogelijk uit de hoek, dan je kun je gemakkelijk je zwaartepunt boven je voeten houden. De voortbeweging gaat vaak d.m.v. afduwen; je duwt met dezelfde hand af als de voet die je hoger wil zetten. Doordat er dan een redelijk grote kracht op de andere hand komt, moet die een goede greep vast hebben. Overigens kun je ook op andere wanddelen deze techniek toepassen, met name als de staande voet ver naar buiten staat.

Rustpunten zijn plekken waar je de kans hebt om je handen wat uit te schudden. Een grote greep, of twee grote grepen bieden vaak deze mogelijkheid. Ook op plaatsen waar de wand van overhangend naar vertikaal verloopt of van vertikaal naar neigend.

Rustpunten zijn van belang voor:

  • herstel van doorbloeding in je onderarmen, afname verzuring
  • psychologisch herstel van stress, ontstaan door een moeilijke passage: tot rust komen om je beter te kunnen concentreren en op je techniek te letten
  • de greepvolgorde van het komende stuk te kunnen bekijken
  • het aanvullen van de magnesiumlaag op je vingers

Als je kunt spreiden in een hoek heb je een rustpositie, waarbij je je handen beide tegelijkertijd los kan laten. Dit noemen we een no-hands-rest. Ook op neigend terrein kun je meestal diverse no-hands-rests vinden.

Een oefening; klim een route in een hoek waarbij je alle kleuren door elkaar gebruikt en zo vaak je kan beide handen even loslaat.

Voordat je gaat klimmen bekijk je hoe de route verloopt. Waar zitten er bochten, zitten er grepen om een hoek? Veel informatie over de route kun je van beneden af al zien, waardoor je onderweg niet voor verrassingen komt te staan. Wat ook handig is, is als je van tevoren al rustpunten kan ontdekken.


Deel 3

Indraaien
Overhangen
Lichaamsspanning

Indraaien, op de buitenkant van je voeten staan, kan erg handig zijn als je erg ver moet doorpakken. Heb je een zijgreep vast moet je altijd de tegenovergestelde voet indraaien, of je nu op een voet of op twee staat. Sta je op beide voeten en draai je een knie naar binnen, dan noemen we dat een egyptian. Dit is veel minder zwaar, dan frontaal blijven staan. Als je in overhangen klimt, kun je door in te draaien je armen vaak gestrekt houden. Je hebt dan minder bovenarmkracht nodig. Ook kun je, als je op twee voeten staat, je zwaartepunt horizontaal verplaatsen door één van beide voeten in te draaien. Dit is handig voor het behouden van je evenwicht (je zwaartepunt komt dan recht onder de gefixeerde greep). Wil je met je hand over de andere heen kruisen, dan draai je eveneens de voet in, die aan de tegenovergestelde kant van de fixerende hand zit (egyptian dus).

We klimmen overhangen anders dan we loodrechte wanden klimmen. De basisregels blijven echter hetzelfde. Het zoeken naar balans, de diagonaalregel en zoveel mogelijk je voeten het werk laten doen ontlasten je armspieren. Bij overhangen is het aanspannen van je buik- en rugspieren (lichaamsspanning) erg belangrijk. Zodoende kun je meer je LZP boven je voeten brengen. Gestrekte armen zorgen ervoor dat je bovenarmspieren rust krijgen en de bloedtoevoer (en afvoer) in je armen zodoende nog zoveel mogelijk op gang blijft.


Deel 4

Valtraining
Energiesystemen: aeroob en anaeroob (duurkracht)

Wil je leren klimmen dan moet je eerst leren vallen. Dat is een uitspraak van (wijlen) goeroe Wolfgang Güllich. Wat hij bedoelt is, dat je een val in het touw niet meer als "eng" mag ervaren. Op dat moment pas kan je concentratie 100% op het klimmen gericht zijn en durf je ook tot het uiterste te vechten. We oefenen dit vallen een aantal keer en variëren daarbij de valhoogte naar gelang je eigen durf. Dit zodat je weet, en vooral ervaart, dat de vallen die bij het naklimmen optreden helemaal niet iets zijn om je tijdens het klimmen zorgen over te maken.

Een aerobe inspanning wil zeggen dat je bloed alle benodigde energie en zuurstof kan aanvoeren, en alle geproduceerde afvalstoffen kan afvoeren. In de klimhal krijg je het meest te maken met duurkracht, of een gebrek eraan. Je spieren krijgen het continu zó zwaar te verduren dat lang niet alle afvalstoffen meer verwijderd kunnen worden. Je voelt het melkzuur zich ophopen in je onderarmen en de kracht wegvloeien. Je maakt nu gebruik van een anaeroob energiesysteem met een onvolledige verbranding. Wil je dit tegengaan dan moet je hier, nèt als met maximaalkracht en uithoudingsvermogen, specifiek op trainen. Dit doe je door continue (licht overhangend, zonder rustpunt) routes te klimmen. Je kiest routes die vrij dicht tegen je top aanzitten.


Versie 3, september '97


 | 
 
DCH | prikbord | klimgids NL | competitie | bleau | alpine | zoek | redactie |
internationaal | bergsport.com | SAC's : N : A : E : L : Nij : Y | X-tra : nmga : klim-x |
demmenie : axis : la sportiva : belle maison : nkbv : de klimmuur : klimhal a'dam |
 Pagina laatst
bijgewerkt op:
© '94-'09 climbing.nl all rights reserved18 mar 2002